• Paul Hart

Ontbinding

Een opzienbare uitspraak is die van de Hoge Raad van 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810, op het raakvlak van vermogens- en het huurrecht. Een rechter te Amsterdam diende een oordeel te vellen over een vordering van een woningstichting tot ontbinding van een huurovereenkomst met betrekking tot een sociale huurwoning. Verhuurder maakte de huurder het verwijt dat deze in strijd met de huurovereenkomst aan een gezin met een kind onderdak had geboden. Dat gezin had geen alternatieve woonruimte. De rechter heeft vervolgens aan de Hoge Raad de vraag voorgelegd hoe men de wettelijke regelgeving over ontbinding moet verstaan: levert iedere tekortkoming het recht op ontbinding op, tenzij het maken van een uitzondering hierop gerechtvaardigd is, bijvoorbeeld gelet op de geringe ernst van de tekortkoming? Op de deze wijze werd art. 6:265 lid 1 BW in het algemeen uitgelegd. Volgens de Hoge Raad moet het artikel als volgt worden begrepen. Alleen een tekortkoming van voldoende gewicht leidt tot ontbinding; dus niet iedere tekortkoming, tenzij… . Daarbij spelen alle omstandigheden van het geval een rol. Het is interessant om te gaan zien of deze uitleg van de Hoge Raad gevolgen zal hebben voor vorderingen, gericht op ontbinding van de huurovereenkomst vanwege een huurschuld van 3 maanden of meer. Krijgen we dan telkens een soort belangenafweging?

Recente blogposts

Alles weergeven

Uitleg bankgarantie

Nog een uitspraak die zowel voor het huurrecht als voor het vermogensrecht in het algemeen interessant is, maar niet vernieuwend. Het gaat over de vraag op welke wijze een bankgarantie moet worden uit

Original image by Rene Mensen under CC BY 2.0 license. Image adjusted.